U bent hier: Homeinformatieholebiseksualiteit

Informatie holebiseksualiteit

  1. Wat is homoseksualiteit/holebiseksualiteit?
  2. Hoeveel holebi's zijn er?
  3. Hoe gewoon is homoseksualiteit?
  4. Hoe vrijen holebi's?
  5. Wat is de oorzaak van homoseksualiteit?
  6. Klopt alles wat er over hen gezegd wordt?
  7. Is er (nog steeds) discriminatie?
  8. Wat is de oorzaak van de discriminatie?
  9. Hoe kan de discriminatie bestreden worden?
  10. Hoe verloopt de emancipatiestrijd van de holebi's?
  11. Wat doen holebi-bewegingen?



Wat is de oorzaak van homoseksualiteit?

Waarom is An lesbisch en haar zus Els niet? Over de oorzaak van homoseksualiteit is bijna niets met wetenschappelijke zekerheid te zeggen. Er is veel onderzoek gedaan en er zijn een reeks hypothesen opgesteld.

De geaardheid zou genetisch bepaald kunnen zijn en dus erfelijk. Deze visie is de laatste tijd nogal populair: er wordt nu eenmaal massaal naar genen voor alles en nog wat gespeurd. Het zou ook kunnen liggen aan een bijzondere hormonenproductie of een speciale hersenstructuur. Naast deze verschillende biologische verklaringen zijn er de psychosociale theorieën.

In de jaren '50 maakte de "verleidingstheorie" opgang: je wordt homoseksueel omdat je als jongere door een homoseksueel tot contact wordt gedwongen. Nu wordt deze theorie niet meer ernstig genomen, Sigmund Freud sprak in het begin van deze eeuw over een "gestoorde oedipale ontwikkeling met een fixatie in het anale stadium" en hedendaagse psychoanalytici blijven de vroegste ontwikkeling van het kind verantwoordelijk stellen voor de "homoseksuele perversie". Andere psychologen leggen de reden in een bepaalde manier van opvoeden of in een verstoorde familiale structuur (bijvoorbeeld een dominante moeder of overbescherming van het kind). Geen enkele van deze theorieën heeft voldoende bewijsmateriaal om algemene aanhang te verwerven, De onderzoeken zijn meestal zeer beperkt en vaak sterk waardegeladen. Iedere wetenschapper verdedigt zijn eigen winkel.

Het lijkt er wel op dat homoseksualiteit in bepaalde mate gezinsgebonden is. Als in een gezin een holebi voorkomt, is de kans zeer groot dat ook een ander kind uit dat gezin holebi is (volgens sommige onderzoeken tot 4 keer groter). Dat bewijst uiteraard niet dat het erfelijk is. Broers en zussen hebben niet alleen genen gemeenschappelijk, maar doorgaans ook hun opvoeding en hun sociale omgeving. Ook het feit dat een kind vaak een voorbeeld vormt voor een zus of broer (zoals het al dan niet volgen van geslachtsgebonden rolpatronen) kan een invloed hebben.

Het maakt weinig uit of homoseksualiteit aangeboren of verworven zou zijn. In beide gevallen is het een vaststaand gegeven dat niet kan veranderd worden. Ook als een homoseksuele aanleg verworven zou zijn, gebeurt dat hoogstwaarschijnlijk in de vroegste levensstadia en wordt ze daarom een onuitwisbaar kenmerk van de persoonlijkheid. Een homoseksuele aanleg bij iemand valt niet te veranderen, tenzij je de persoonlijkheid van die persoon helemaal vernietigt. Bepaalde therapieën kunnen "succes" hebben, maar tegen een veel te hoge prijs: de vernietiging van het behoorlijk psychisch functioneren. Op een bepaald ogenblik wou men homoseksualiteit "genezen" met lobotomie (het doorsnijden van bepaalde hersenkwabben) en zie: het werkte. Alleen verviel de behandelde persoon tot een apathisch, quasi vegetatief bestaan. De vraag is echter: waarom zou een homoseksuele aanleg moeten veranderd worden?

De vraag naar de oorzaak van homoseksualiteit is geen neutrale vraag. Het is een vraag die gesteld wordt als men holebi's wil gaan "genezen". Het is dus een vraag die haar belang verliest zodra men inziet dat homoseksualiteit geen ziekte is, maar gewoon eenvariante op seksueel gedrag. Vele holebi's wijzen de vraag dan ook van de hand als een "discriminerende" vraag: men vraagt toch ook niet naar de oorzaak van heteroseksualiteit.